Op 1 september 2026 is het nieuwe Strafwetboek in werking getreden (wet van 29 februari 2024, Belgisch Staatsblad van 8 april 2024). Het vervangt het Strafwetboek van 1867. Wie verdacht wordt of een lopende zaak heeft, vraagt zich af welke regels nu gelden, en wat er gebeurt met feiten van vóór 1 september.

Wat verandert er?

  • Acht strafniveaus. Het onderscheid tussen misdaden, wanbedrijven en overtredingen verdwijnt. Elk misdrijf krijgt een strafniveau van 1 tot 8 (artikel 36). Op niveau 1, het lichtste niveau, staat geen gevangenisstraf: de rechter kiest dan onder meer tussen een geldboete, een werkstraf en een probatiestraf.
  • Gevangenisstraf als laatste middel. Volgens artikel 27 is de gevangenisstraf “de laatst te overwegen straf, die slechts kan worden uitgesproken wanneer de strafdoelen niet kunnen worden bereikt met een van de andere straffen of maatregelen waarin de wet voorziet”.
  • Bijkomende straffen. Zo kan de rechter onder meer een beroepsverbod of een verblijfs-, plaats- of contactverbod opleggen (artikel 37).
  • Regels over het moreel bestanddeel. Voor elk misdrijf moet de dader in staat zijn geweest “bewust en uit vrije wil te handelen”. Voor een bepaald misdrijf kan de wet daarnaast opzet of een zware fout vereisen (artikel 7, § 1).

Feiten van vóór 1 september: welke wet geldt?

De basisregel blijft: feiten worden beoordeeld volgens de wet die gold op het moment dat ze gepleegd werden. Een strengere nieuwe wet werkt nooit terug.

Er is wel een belangrijke uitzondering in uw voordeel. Artikel 2 van het nieuwe Strafwetboek bepaalt: “In geval van wijziging van de strafwet na het plegen van het misdrijf gelden de voor de dader meest gunstige bepalingen.” Werd gedrag niet langer strafbaar, of zijn de voorwaarden om te veroordelen strenger geworden, dan kan dat dus doorwerken in een dossier dat nog loopt.

Een voorbeeld: uw wagen uitlenen aan iemand zonder rijbewijs

Artikel 32 van de Wegverkeerswet bestraft wie een motorvoertuig toevertrouwt aan iemand die niet het vereiste rijbewijs heeft.

De regel sinds 1 september 2026

Artikel 32 bestraft wie opzettelijk een motorvoertuig toevertrouwt aan iemand zonder het vereiste rijbewijs, met een straf van niveau 1 en een geldboete van 800 tot 8.000 euro (zonder opdeciemen). Het openbaar ministerie moet dus opzet bewijzen. Volgens artikel 7, § 2 van het Strafwetboek is dat het geval als u wist dat de bestuurder geen rijbewijs had, of als u zich ervan bewust was dat dit “kan bestaan in de normale gang van zaken”.

En als uw zaak nog loopt?

Is de nieuwe regel voor u gunstiger, dan kan ze op grond van artikel 2 ook gelden voor feiten van vóór 1 september. Wordt u vervolgd omdat u het rijbewijs van de bestuurder niet controleerde? Laat dan zeker nagaan of het nieuwe Strafwetboek in uw voordeel speelt.

Wat betekent dit voor u?

Loopt er een zaak voor de politierechtbank of de correctionele rechtbank die nog niet definitief beoordeeld is, of ontving u onlangs een dagvaarding? Laat dan onderzoeken welke wet op uw situatie van toepassing is. De overgang naar het nieuwe Strafwetboek roept nog veel vragen op, en elke zaak moet afzonderlijk bekeken worden.

Vragen over uw situatie?

Heeft u vragen over de gevolgen van het nieuwe Strafwetboek voor uw zaak? Neem contact op met Advocatenkantoor Van Oyen. Mr. Van Oyen staat u persoonlijk en discreet bij en bekijkt uw dossier graag samen met u. Dringend (arrestatie, verhoor): dag en nacht bereikbaar op 0479 32 95 19.

☏ Bel 0479 32 95 19 Stel uw vraag online →

⚖️ Dit artikel bevat algemene informatie en vormt geen juridisch advies. Elke situatie is anders — neem contact op voor advies op maat.

Persoonlijk advies over uw dossier?

Mr. Jonas Van Oyen – kantoor in Gistel · bijstand in Oostende, Brugge en omstreken

☏ 0479 32 95 19 ✉ Stel uw vraag